|
Uitbalanceren:
Bij een bandenwissel hoort altijd een correcte wiel-balans. Een onbalans van tien gram heeft door de centrifugale kracht tijdens het rijden bij een snelheid van 100 km/h al een uitwerking zoals 2,5 kilogram. Door onopvallende gewichten aan te brengen wordt de onbalans verholpen, waardoor er voor een gelijkmatige gewichtsverdeling gezorgd wordt. Hoe kan men een onbalans merken?
Door een "slingerend" stuurwiel en een ongewone trilling van het voertuig en dit in het bijzonder bij snelheden tussen 80 en 120 km/h. Andere negatieve gevolgen: een ongelijkmatige loopvlakslijtage en een daarmee gepaard gaande, toenemende slijtage aan banden en aan componenten van het onderstel, een overmatige belasting van de schokdempers en een afnemend rijcomfort. Bovendien trekken de centrifugale krachten hard aan de wielophanging en de stuurdelen. Er bestaan twee balanceermethoden:
Stationair balanceren: bij stationair balanceren worden de wielen op een balanceermachine gespannen en de machine laat het wiel draaien. Op deze manier kunnen er ongelijke gewichtsverdelingen van band en velg vastgesteld worden. Indien het wiel alleen een zware zijde heeft, spreekt men van een zogeheten "statische onbalans ". Bij twee zware, aan de binnen- en buitenzijde van het wiel gesitueerde zijden, is er een dynamische onbalans. Deze onbalans wordt gecompenseerd door gewichten, die aan het wiel bevestigd worden.
Elektronisch fijn uitbalanceren aan het voertuig: ook als er al stationair gebalanceerd werd, kan een stabiel draaiend wiel na de montage op het voertuig opnieuw een onbalans vertonen. Dat is te wijten aan het feit dat de statische en dynamische wieluitlijning uitsluitend aan het wiel plaatsvindt. Bij het elektronische fijn balanceren worden het wiel en de wielophanging als eenheid beschouwd. Productietoleranties van de voertuignaaf, overblijvende onbalans van de naaf en onbalans in de remtrommel c.q. remschijf worden daarbij bij het balanceerprocédé betrokken.
|